Acda en de Munnik over 6 persoonlijke liedjes: ‘Dit nummer schreef ik voor mijn oudste, toch zong ik het nooit voor hem’
Acda en de Munnik veroverden Nederland met liedjes over doodgewone mensen met doodgewone problemen. Aan de vooravond van drie shows in Ziggo Dome blikken ze terug op zes persoonlijke liedjes. Een interview over een slimme ontsnapping, een zure recensent en rouw: „Bij de eerste zin moest ik huilen.’’
Een hit maakt je herkenbaar op straat, maar thuis wacht een heel ander leven. Dat contrast loopt door de persoonlijke verhalen die Thomas Acda en Paul de Munnik met het AD delen. Vlak voor drie concerten in de Ziggo Dome kijken ze terug op hun liedjes: over plotselinge roem, een overvolle agenda en het vaderschap.
Hoe hard bekendheid kan binnenkomen, ontdekten ze in de zomer van 1998. Niet of nooit geweest sloeg aan en opeens herkenden mensen ook de mannen achter het nummer. Tijdens een wandeling door de Amsterdamse Kalverstraat zagen ze Marco Borsato handtekeningen uitdelen. Niet veel later deelden ze zelf handtekeningen uit en verzamelde zich een menigte om hen heen. Een man van Sissy Boy haalde hen naar binnen. Borsato kon ondertussen verder. Die wandelingen hadden daarvoor juist een praktisch doel: in hun cabarettijd testten Acda en De Munnik onderweg het ritme van teksten en grappen. Na de doorbraak werd onopvallend over straat gaan voor Acda iets om bewust rekening mee te houden.
Die aandacht had ook een keerzijde achter de voordeur. Eind jaren negentig waren de twee voortdurend op pad. Onderweg kregen ze applaus, gratis eten en drinken en een voorkeursbehandeling. Thuis was Acda naar eigen zeggen niet altijd prettig gezelschap. Hij was weinig aanwezig en kon boos reageren, nadat hij buitenshuis steeds vriendelijk had moeten zijn. In die periode begon hij een notitieboekje met een gedachte over het leven dat tussen alle verplichtingen door moet plaatsvinden. De Munnik benadrukt dat het bijbehorende lied niet alleen over artiesten gaat. Ook zonder tournees kunnen kinderen, huishoudelijke klussen en andere taken alle ruimte opslokken.
Nog dichter op de huid zit het lied dat De Munnik voor zijn oudste zoon schreef, inmiddels 24. Een recensent deed destijds laatdunkend over de keuze voor een slaapliedje voor een pasgeboren kind. Bij luisteraars vond het juist weerklank: het duo ontving veel geboortekaartjes waarop de tekst terugkwam. Toch zong De Munnik het zelf nooit voor zijn kinderen. Voor zijn jongste zoon van anderhalf kiest hij ’s nachts gewoon In de maneschijn. Zijn eigen repertoire hoeven zijn kinderen thuis niet opgedrongen te krijgen; dat kunnen ze later zelf ontdekken.
Dat ontdekken levert ook jaren later nog vragen op. Zo belde De Munniks tweede zoon, 23, onlangs om te vragen waar het lied over Herman eigenlijk over gaat. Zijn vader verwees hem met een grap naar Acda. De terugblik laat daarmee vooral zien hoe die nummers blijven doorwerken: als herinnering aan een hectische periode voor de makers, als persoonlijke tekst voor luisteraars en als aanleiding voor nieuwe gesprekken thuis.
Foto's
Reacties
- Nog geen reacties. Wees de eerste.
